Landgoeden en ruimtelijke ordening

De toenemende aandacht voor cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is een steun in de rug voor ondernemende landgoedeigenaren. Vista helpt hen met landgoedvisies en landgoed-ontwikkelingsplannen. Onderstaand een artikel van Pieter Veen uit de Landgoedeigenaar van december 2008.

Dat landgoederen en buitenplaatsen behoren tot ons nationale cultuurbezit is inmiddels algemeen bekend. Recent zijn ze opgenomen in de ‘canon van de vaderlandse geschiedenis’, verplichte leerstof voor iedereen die iets wil weten van Nederland. We hadden al de Monumentenwet en de Natuurschoonwet, waarmee het behoud van landgoederen en buitenplaatsen wettelijk geregeld kan worden. Toch blijkt dat in de ruimtelijke ordening dit historisch erfgoed het nogal eens aflegt tegen de belangen van woningbouw, bedrijventerreinen of infrastructuur. Waar gebouwen en tuinen vaak nog wel gespaard kunnen worden, is dat voor grotere structuren als zichtassen, lanenstelsels, vaarwegen, jachtbossen en landerijen veel lastiger. En de omgeving lijkt soms helemaal vogelvrij: wie kent niet de voorbeelden van buitenplaatsen die aan alle kanten zijn ingesloten door stedelijke bebouwing of die een drukke weg langs de voortuin hebben gekregen? Met wat meer kennis van zaken en wat meer oog voor het verleden had dat misschien voorkomen kunnen worden.

Gelukkig lijkt daar een kentering in te komen. Sinds de Nota Belvedere uit 1999 is er meer aandacht voor de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke ordening, onder het motto ‘behoud door ontwikkeling’. Een opvallende tendens is dat cultuurhistorische objecten steeds meer in hun context worden beschouwd. Het gaat niet alleen om dat ene monument, maar ook om de omgeving waarin het functioneerde. Pas als je het geheel kunt begrijpen, komt de geschiedenis echt tot leven. Een logisch gevolg daarvan is dat ook grotere landschappelijke structuren onderwerp van onderzoek en beleid worden. Op kleine schaal kun je denken aan de ‘molenbiotopen’, die in bestemmingsplannen worden opgenomen om ervoor te zorgen dat de omgeving van een oude windmolen open blijft. Op grotere schaal kun je denken aan de Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, uitgestrekte verdedigingslinies die inmiddels stevig verankerd zijn op de beleidskaart van Nederland. Beide historische structuren zijn zelfs aangewezen als Werelderfgoed.

Een voorbeeld van een Belvedereproject voor landgoederen en buitenplaatsen is de ‘Visie Landgoederenzone Noord- en Zuid-Holland’, opgesteld door Vista landscape and urban design in opdracht van de regio’s Haaglanden en Holland Rijnland en de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland. Het plangebied omvat de gehele ‘landgoederenzone’ achter de duinen, tussen het Westland in het zuiden en de Kennemerzoom in het noorden. In dit gebied liggen meer dan 200 landgoederen. De meeste landgoederen dateren uit de Gouden Eeuw en vertellen veel over de geschiedenis van ons land. Meer dan al het andere groen bepalen de fraaie parkbossen met de statige landhuizen nog steeds de identiteit van de regio. De landgoederen maken deel uit van de dagelijkse leefomgeving van ruim 2 miljoen mensen. Ze geven de steden Den Haag, Leiden en Haarlem een bijzondere aantrekkingskracht als woon- en werkgebied en ze zijn een toeristisch visitekaartje voor Nederland. Daarom is het niet meer dan logisch dat de overheid hier zorgvuldig mee om wil gaan.

In de visie wordt voorgesteld om de landgoederen en buitenplaatsen in de kustzone aaneen te schakelen tot een robuuste en duurzame groenstructuur. Die structuur bestaat uit de grotere landgoedclusters en de verbindende ‘historische lijnen’ (oude strandwalroutes, herenwegen en trekvaarten). Er worden twee voorwaarden genoemd voor de ontwikkeling van een dergelijke groenstructuur. Eerste voorwaarde is dat de bestaande landgoederen duurzaam veiliggesteld worden: de hoge beheerslasten zijn nog punt van zorg. Nieuwe financiĆ«le dragers voor het beheer zullen gevonden moeten worden, zonder dat het karakter van het landgoed wordt aangetast. Tweede voorwaarde is dat de stedelijke ontwikkelingen in de omgeving goed worden afgestemd op de landgoederen en het landschap. Omdat we hier in de dynamische westflank van de Randstad zitten, is de verstedelijkingsdruk immers groot en is het extra belangrijk om de samenhang tussen de landgoederen te waarborgen.

Maar waarin zit precies die samenhang? In samenwerking met Gerdy Verschuure van de Faculteit der Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft is hier onderzoek naar gedaan. Gebleken is dat de landgoederen niet willekeurig verspreid liggen, maar duidelijk zijn georiƫnteerd op hoogteverschillen en structuurlijnen in het landschap. Er zijn concentraties te zien op de hogere strandwallen, langs de binnenduinrand en aan de doorgaande vaarwegen. Bij de aanleg van landgoederen is zorgvuldig gebruik gemaakt van landschappelijke gegevenheden, zoals waterlopen of uitzichten op de omgeving. De landgoederen die grenzen aan de duinen waaieren met grote jachtbossen uit over de woeste gronden. De buitenplaatsen aan de trekvaart zijn veel kleiner en voegen zich in de regelmatige polderverkaveling van het agrarisch landschap. Op basis van een historisch-landschappelijke analyse zijn vier typen landgoederen onderscheiden: duinlandgoederen, strandwallandgoederen, meerlandgoederen en trekvaartlandgoederen.

De typologie laat zien dat de landgoederen niet op zichzelf staan, maar onlosmakelijk verbonden zijn met het onderliggende landschap en deel uitmaken van een grotere familie. Het is een hulpmiddel om hier in het ruimtelijk beleid rekening mee te houden. In de visie is aangegeven hoe dit kan: per type gebied zijn mogelijke functies en ontwikkelingskansen aangegeven, voor de landgoederen en de directe omgeving. Voor de grotere landgoedclusters zijn projecten benoemd om deze als samenhangende groengebieden veilig te stellen. Voor de landgoederenzones van Rijswijk en tussen Den Haag en Leiden zijn inmiddels projecten in uitvoering. Er is een apart project om een doorgaande wandelroute aan te leggen langs en over de landgoederen, vergelijkbaar met het Pieterpad. Voor landgoederen die bed and breakfast of andere toeristisch-recreatieve activiteiten willen ontwikkelen, is dit een interessante kans.

De aanpak voor de kustzone is zeker ook van toepassing voor andere landgoederenzones in Nederland, zoals de Stichtse Lustwarande, de buitenplaatsen langs Vecht en de Amstel, de beeklandgoederen in de Achterhoek, de havezates in Twente, de Brabantse landgoederen van het ‘Groene Woud’ en de ‘kasteeldomeinen’ langs de Limburgse Maas. Voor sommige van deze gebieden lopen al Belvedereprojecten.

Wat betekent dit voor particuliere landgoedeigenaren? Naar mijn mening kan de planvorming voor grotere landgoederenzones de positie van afzonderlijke landgoederen enorm versterken. En ik zou zeggen: grijp die kans! Zoek samenwerking met aangrenzende landgoederen, kijk over de grenzen heen, maak een gezamenlijke visie of spreek de gemeente of de provincie hierop aan. De tijd is rijp voor een meer offensieve en integrale strategie. Het is onomstreden dat landgoederen en buitenplaatsen een groot maatschappelijk belang vertegenwoordigen, dat moet ook doorwerken in de ruimtelijke ordening. Wat mij betreft -en ik spreek hier als landschapsarchitect- gaat het daarbij niet zozeer om het tegenhouden van ontwikkelingen, als wel om het samen zoeken naar goede oplossingen, die recht doen aan alle belangen. Juist landgoedeigenaren hebben door de eeuwen heen bewezen dat ze heel goed in staat zijn om hun bezit aan te passen aan de eisen van de tijd en tegelijkertijd de kwaliteit te bewaren. Overheden en plannenmakers kunnen daar nog van leren. Door samen te werken aan ‘integrale gebiedsontwikkeling’ kunnen we de cultuurhistorie van de toekomst vormgeven