Waddenzee bij Schiermonnikoog. Foto Bert Kaufmann

Ter illustratie worden hieronder een aantal regionale uitwerkingen behandeld. Voor de overige uitwerkingen kan het rapport worden geraadpleegd.

noord-nederland

De Waddenzee trekt zand aan en op de buitendijkse aanwaspolders langs de zeedijk vindt opslibbing plaats, met soms wel enkele millimeters per jaar. De binnendijkse kleipolders liggen relatief hoog en vormen als het ware een natuurlijke zeewering voor de veenpolders in het achterland. Wel is hier sprake van bodemdaling door tektoniek, inklinking, gaswinning en zoutwinning. In combinatie met de zeespiegelstijging betekent dit dat ook langs de noordelijke kust de zeewering verstevigd moet worden. De kustzone heeft hier bovendien te maken met een toenemende verzilting. Door de relatief hoge ligging zijn de mogelijkheden voor zoetwateraanvoer beperkt. 

Binnen Noord-Nederland zijn drie zones te onderscheiden met verschillende klimaatopgaven:

  1. kustzone met verziltingsproblematiek;
  2. veenzone met bodemdalingsproblematiek;
  3. kleizone met relatief weinig beperkingen.

In de kustzone is een omschakeling naar zilte teelten denkbaar, zowel voor voedselproductie als voor andere doeleinden. Een voorbeeld is algenteelt.

De veenzone tussen de kleipolders en de hogere zandgronden is in beeld als klimaatcorridor voor water- en moerasecosystemen. Om de bodemdaling en de inlaatbehoefte terug te dringen is een meer natuurlijk peilbeheer gunstig. Een deel van de huidige landbouwgronden zal hiervoor omgevormd moeten worden in natuurgebied.

De kleipolders tussen de veenzone en de kustzone blijven ook in de toekomst geschikt voor grootschalige, grondgebonden landbouw. Het herstel van de natuurlijke wateraanvoer uit de hogere zandgronden, via kwel en beken, biedt een alternatief voor inlaat uit het IJsselmeer.