Regionale parken en de belevenismaatschappij

De oude Rijksbufferzones hebben hun langste tijd wel gehad. De veranderende maatschappelijke en ruimtelijke context schreeuwt om nieuwe concepten. VROM studeert op regionale parken of metropolitane landschappen. Maar wat zijn dit eigenlijk? Op verzoek van VROM schreven Pieter Veen en Edwin van Uum in 2002 onderstaand essay. Het is een bewerking van een eerder artikel van Zef Hemel en Edwin van Uum, getiteld ‘Open ruimte wordt openbare ruimte’.

Er wordt gezegd dat we in een belevenismaatschappij leven. We kicken op piekervaringen en hechten aan quality time. We zijn -ieder op onze eigen manier- op zoek naar nieuwe prikkels en sensaties. De oude verbanden en de bekende plaatsen zouden hun zeggingskracht hebben verloren. Van over de hele wereld komen beelden tot ons en die bepalen mede hoe wij naar onze omgeving kijken. Het valt niet te ontkennen dat de overgang van de overzichtelijke na-oorlogse verzorgingsstaat naar de huidige pluriforme informatiemaatschappij grote gevolgen heeft voor de manier waarop wij de ruimte beleven (of interpreteren) en willen beleven. Dit stelt een opgave aan het ruimtelijk beleid. Om deze opgave te begrijpen moeten we verder kijken dan de talloze verschijningsvormen van de belevenismaatschappij. In wezen gaat het hier, in de specifieke context van de ruimtelijke planning, om de verbreding of opschaling van het begrip ‘stedelijke openbare ruimte’. Waar het publieke stedelijke leven aanvankelijk beperkt bleef tot de pleinen, straten en parken van de begrensde stad, is de situatie nu geheel anders. De steden zijn groter en diffuser geworden en het ‘consumptieve’ gebruik van de ruimte door stedelingen reikt tot ver buiten de fysiek verstedelijkte gebieden. De groene ruimte is niet langer het exclusieve domein van landbouw en natuur, maar krijgt in toenemende mate het karakter van openbaar stedelijk gebied. Achterliggende processen zijn de schaalvergroting in de verstedelijking en de ontwikkeling van omvattende stedelijke netwerken enerzijds en veranderingen in de vrijetijdsbesteding van stedelingen, flexibilisering van de arbeid en de toenemende mobiltiteit anderzijds.

Het landschap wordt onderworpen aan de toeristische blik. Men is op zoek naar indrukken die afwijken van het alledaagse, naar een bijzonder spektakel of een lieflijke idylle. Het landschap is meer dan leegte of open ruimte, maar een netwerk van betekenisvolle plekken: voor avontuur en vermaak, maar ook voor herkenning en bezinning. In dat landschap is geen ruimte voor bio-industrie, snelwegen en ontoegankelijke natuurgebieden, wel voor dorps wonen, natuurbeleving, toeristische attracties, cultuurgenot en watersport in al zijn vormen. Voorwaarde is een goede ontsluiting voor wandelen, fietsen en varen.

Het behoeft nauwelijks betoog dat de huidige inrichting van de groene ruimte nog lang niet voldoet aan de eisen die daar door de belevenismaatschappij aan worden gesteld. Juist rond de grote steden is eerder sprake van verrommeling en anonimisering van de ruimte, dan van betekenisvolle, publieke plekken. Het Groene Hart bestaat grotendeels uit monofunctionele landbouwgebieden. Hier ligt nog een belangrijke inrichtingsopgave. Natuurlijk, in het verleden is het nodige geïnvesteerd in het open houden van bufferzones en in de aanleg van Groene Sterren, Randstadgroenstructuurbossen en andere voorzieningen voor openluchtrecreatie, maar deze kunnen niet voldoen aan de huidige vraag. Ook de lopende Strategische Groenprojecten lijken onvoldoende in staat een adequaat antwoord te bieden op de nieuwe behoeften, zowel door ontoereikende financiële middelen als door een te beperkt functioneel programma. Met de Regionale Parken wordt gepoogd nieuwe strategieën te ontwikkelen voor het vergroten van de recreatieve waarde van het buitengebied in de grote stedelijke netwerken. Die strategieën zouden beter moeten inspelen op de sociaal-maatschappelijke dynamiek en meer ruimte moeten bieden aan particuliere initiatieven. Duidelijk is dat recreatie tegenwoordig overal en op allerlei momenten kan plaatsvinden en verbonden is met een breed scala aan divergerende activiteiten en leefstijlen. ‘De recreant’ bestaat niet en het ideale recreatiegebied dus ook niet. Recreatiebeleid wordt in toenemende mate een integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening.

Interessanter dan de vraag hoe de Regionale Parken eruit moeten komen te zien, is de vraag aan welke maatschappelijke behoeften ze moeten voldoen en welke ontwikkelingsstrategieën daartoe ingezet kunnen worden. Op voorhand dienen zich al enkele lastige dilemma’s aan. Enerzijds zal het beleid moeten inspelen op de behoefte aan authentieke ervaringen. Het gaat dan om het veiligstellen en intensiveren van rust, openheid en schoonheid in idyllische landschappen, waarin natuurbeleving wordt gecombineerd met ervaring van het cultuurhistorisch erfgoed. Nieuwe infrastructurele doorsnijdingen, bedrijventerreinen, bungalowparken en andere vormen van stedelijke bebouwing zullen actief geweerd moeten worden. Er zal fors geïnvesteerd moeten worden in versterking van groene kwaliteiten en verbetering van de toegankelijkheid. De traditionele strategie van aankopen, inrichten en beheren zal daarbij zeker niet volledig overboord gezet kunnen worden, maar er zullen ook nieuwe financieringsstructuren voor ‘groene diensten’ ontwikkeld moeten worden. Anderzijds vraagt de stedelijke cultuur van avontuur en vermaak om nieuwe, uitdagende landschappen met bijzondere attracties en onbeperkte gebruiksmogelijkheden: van survivalcenter tot beautyfarm. Hiervoor zal voldoende ruimte geboden moeten worden. Voor een deel kunnen particuliere initiatieven hierin voorzien, maar deze zullen steeds gekoppeld moeten worden aan heldere kwaliteitseisen, afgestemd op het gewenste imago en openbare karakter van het Regionale Park. Het gaat om het vinden van het juiste evenwicht ligt tussen het vrij laten van potentiële investeerders en het stellen van de planologische randvoorwaarden, geen geringe uitdaging voor het ruimtelijk beleid.

Met de constatering dat recreatie een steeds breder en minder eenduidig begrip is geworden, wordt ook de afbakening van de Regionale Parken een probleem. De recreatienormen voor de benodigde oppervlakte stadsgroen per inwoner zijn achterhaald en bieden weinig houvast. De Regionale Parken zullen een herkenbare eigen identiteit moeten hebben, willen ze als ruimtelijke eenheden standhouden. Die identiteit kan ontleend zijn aan het functionele programma of aan de landschappelijke samenhang. Bij voorkeur zijn beide aspecten op elkaar afgestemd en versterken ze elkaar. De oude Rijksbufferzones zijn echter begrensd als ‘contramal’ van de stad en ontberen vaak een functionele of landschappelijke samenhang. Hier zal de identiteit als park nog geconstrueerd moeten worden. Een logische begrenzing en een consistente inrichting zijn daarbij essentieel. Op grotere schaal zullen de Regionale Parken zich moeten onderscheiden van de Provinciale en Nationale Landschappen en van de stadsgewestelijke groenstructuren. Ten opzichte van de landschappen zal het recreatieve inrichtingsniveau en de gebruiksintensiteit hoger liggen, maar ten opzichte van de stadsgewestelijke groenstructuren zullen juist de landschappelijke schaal, de ecologische diversiteit en de cultuurhistorische identiteit bepalender zijn. Of er altijd een zinvolle niche voor een Regionaal Park te vinden is, zal moeten blijken uit gericht ontwerponderzoek.

Een belangrijke inrichtingsfactor voor de Regionale Parken is het ontsluitingsniveau. Mobiliteit en infrastructuur zijn immers van grote invloed op het gebruik van de openbare ruimte. Het zijn ook bij uitstek middelen waar de overheid mee kan sturen. Infrastructurele knooppunten waar verschillende verkeersstromen samenkomen in of aan de rand van Regionale Parken lenen zich bij uitstek voor de ontwikkeling van ‘recreatietransferia’: toegangspoorten tot het park, waar allerlei voorzieningen, zoals parkeergelegenheid, horeca, informatievoorziening, bootverhuur etc. gebundeld kunnen worden aangeboden. In andere delen kan de toegang juist worden gereduceerd, bijvoorbeeld door omvorming van asfaltwegen in zandpaden of door het verminderen van het aantal afslagen. Deze benadering van selectieve bereikbaarheid maakt een einde aan de gedachte dat iedere plek overal in Nederland in dezelfde mate of op dezelfde manier bereikbaar moet zijn.

Dat er een maatschappelijke behoefte is aan bijzondere belevenissen en nieuwe gebruiksmogelijkheden in het landelijk gebied leidt geen twijfel. Dat er een markt is voor extra investeringen in de vrijetijdseconomie evenmin. Het voldoen aan deze behoefte en het ruimte bieden aan deze markt leidt echter niet automatisch tot aantrekkelijke en hoogwaardige recreatielandschappen. Het is de opgave voor de Regionale Parken de juiste condities te formuleren voor de ontwikkeling van dergelijke landschappen.