Toekomst van de veengebieden

Vista is intensief betrokken bij de discussie over het beheer van de veengebieden. Met de studie ‘Dilemma’s van het Hollandveen’ uit 2002 ten behoeve van het Structuurschema Groene Ruimte heeft Vista het probleem van de bodemdaling op de beleidsagenda van Nederland gezet. Hieronder de tekst van de lezing die Rik de Visser in 2008 hield op een symposium over de ontwikkeling van het Nationaal Landschap Laag-Holland.

Het landschap van Laag Holland heeft door de eeuwen heen een sterke dynamiek gekend. De grootste veranderingen zijn het gevolg van menselijk handelen: bedijking, inpoldering, turfwinning, landbouw, verstedelijking, infrastructuur, afvalverwerking en recreatie. Dit heeft een rijke cultuurhistorie opgeleverd die aan het landschap is af te lezen. Het oorspronkelijk hoogveenlandschap met kreken is sinds de Middeleeuwen getransformeerd in een laagveenlandschap met droogmakerijen: het inversielandschap. De ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap is belangrijk in de discussie over Laag Holland. Het bepaalt ons perspectief.

Kernkwaliteiten Nationaal Landschap

In de Nota Ruimte heeft Laag Holland de status van Nationaal Landschap gekregen. Dit betekent dat we moeten proberen te werken aan behoud én ontwikkeling van de kernkwaliteiten. De twee typerende landschapstypen – veenweiden en droogmakerijen – bezitten een aantal kernkwaliteiten die Laag Holland uniek maken. In dit verband worden genoemd: de grote openheid van het landschap; de vele weide- en moerasvogels; het oude geometrische inrichtingspatroon in de droogmakerijen; de veenbodems en de strokenverkavelingen in de veenweidegebieden. Maar de kernkwaliteiten staan onder druk. In het Visiedocument Nationaal Landschap Laag Holland 2006-2013 zijn de knelpunten benoemd als symptomen: verruiging, afname van het veen, slechte waterkwaliteit, afname van het aantal weidevogels, versnippering van het landschap en afname van de vitaliteit van de dorpen. De onderliggende oorzaken blijven nagenoeg buiten beeld.

Dilemma van Laag Holland

Het is erg moeilijk om tot een goede koers voor de ontwikkeling en het beheer van het landschap te komen. Dat heft veel te maken met de aanvliegroute die we kiezen. We zijn immers gehecht aan Laag Holland zoals we dat kennen. We houden van koeien in de wei, van onze grutto’s, het boerenbedrijf, de riet- en hooilanden van het waterrijke Wormer- en Jisperveld, en ga zo maar door. Onvoorwaardelijke liefde. Dat is mooi. Maar het maakt ons ook blind voor de keerzijde van dit landschap en de processen die zich in dit landschap voltrekken. We hebben last van preoccupatie. De grote openheid van het landschap (gedragen door het agrarische bedrijf) en het behoud van weidevogels als de grutto (in hoge dichtheden) zijn onmogelijk te combineren met behoud van het veen. En veen is de basis van dit landschap. In West-Friesland zijn reeds grote arealen veengebied verdwenen. Continuering van het huidige beleid betekent dat dit proces doorgaat en dat ook grote delen van Laag Holland geleidelijk zullen transformeren van veen in klei. Denk aan de Zeevang en de Mijzen waar de veenlaag dun is. Een voorbeeld. In het eerder genoemde visiedocument wordt voor de Mijzen een duurzame functiekeuze gegeven. De fysieke gesteldheid van het gebied is een veenpakket van minder dan vijftig centimeter. Voor dit landschap wordt voorgesteld: duurzame agrarische bedrijfsvoering met een drooglegging van veertig tot zestig centimeter. Het klinkt logisch maar het is veenmoord. Zeer in strijd met het behouden én ontwikkelen van de kernkwaliteit veen. Zie hier in een notendop Het Dilemma van Laag Holland. Hoe kunnen we hiermee omgaan? Let wel, ik heb niets tegen landbouw en open weidegebieden. Deze dragen immers voor een belangrijke deel bij aan het archetypische beeld van het Hollandse polderlandschap. Ik ben op zoek naar een consequente redeneerlijn. First things first. Eenvoudige oplossingen zijn er niet. Essentieel is het erkennen van het dilemma door alle belanghebbenden. Pas dan is er een goede basis voor discussie en verdere keuzes voor het behoud én ontwikkeling van Laag Holland. De grootste bedreiging voor Laag Holland is niet kiezen.

Perspectief

Ik denk dat veenbehoud meer aandacht verdient in de discussie. Voor grote delen van Laag Holland is de veenbodem immers de basis van het landschap. Veenbehoud dient daarom een belangrijk doel te zijn voor Laag Holland. Dit is mijns inziens een belangrijke robuuste keuze. Alleen die keuze biedt een duurzaam perspectief voor Laag Holland. Een natter Laag Holland, waarin zoveel mogelijk gebiedseigen water wordt vastgehouden, waarin de veenafbraak een halt wordt toegeroepen. Dat betekent andere accenten in het landschap. Landbouw, de open weidegebieden, zie ik het liefst in de gebieden waar de draagkracht van het substraat dat toelaat. Dat zijn de klei op veengebieden (bijvoorbeeld in Oost Waterland), de droogmakerijen en de kustzone. In gebieden die urgente bescherming behoeven omdat het veen hier anders binnen enkele decennia verdwijnt, bijvoorbeeld de Mijzen, Eilandspolder, Polder de Zeevang, zie ik als enige oplossing te stoppen met het ontwateren van het veen. Overigens kunnen deze gebieden nog steeds als extensief grasland beheerd worden en dus open blijven. En is er nog ruimte voor weidevogels? Dan ontvouwt zich een nieuwe dilemma. Gaan grutto’s en landbouw nog samen? ‘Overal een beetje aan weidevogelbescherming doen heeft geen zin’, zegt weidevogelexpert Hans Schekkerman op basis van zijn promotieonderzoek. ‘Concentreer het weidevogelbeheer in open gebieden die landschappelijk verder ook voor weidevogels in orde zijn. Doe het dus op een kleiner oppervlak, maar dan wel intensiever.’ Verder denk ik ook dat we zullen moeten wennen aan een landschap met weidevogels in meer natuurlijke omstandigheden en dichtheden. Van oorsprong broedden de grutto’s in moerassen en overwinterden ze in natuurlijke habitats in Zuid-Europa en Afrika. Door de agrarische ontwikkeling is de grutto noodgedwongen uitgeweken naar de cultuurgebieden: hier zijn dat weilanden, in de overwinteringgebieden vaak rijstvelden. Overigens heeft Landschap Noord-Holland ook interessant onderzoek naar weidevogels gedaan.

Samenvattend

Mijn pleidooi komt op het volgende neer. Maak binnen Laag Holland een robuuste keuze door radicaal te kiezen voor het behoud van het veen. Let op: dit kan samengaan met beheer als grasland en dus open landschap. Dat is een keuze die nog open staat. Stem de waterhuishouding hierop af. Niet meer ontwateren en zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden. Dat betekent meer ruimte voor waterbuffering en stoppen met onderbemalingen. Ga vervolgens functies ontwikkelen en beheren op basis van de draagkracht van de landschappelijke onderlaag. Dat betekent in de kwetsbare veengebieden: extensief grasland, moerasnatuur of levend hoogveen. In de klei op veengebieden, droogmakerijen en kustzone is er dan ruimte voor landbouw en agrarisch natuurbeheer. Vervolgens zijn er dan nog steeds veel keuzes te maken. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse voor Laag Holland, waarin deze verschillende ontwikkelingsrichtingen worden verkend, kan daarbij helpen.